Het onderwijsconcept

Vorige week hebben we met het eerste onderwijscolloquium van het jaar intensief gediscussieerd over onze visie op het onderwijs van de OUNL. Het onderwerp was het onderwijsconcept van de OU en dat leverde voldoende discussiestof op. We hadden ook voor een wat andere opzet gekozen. Eerst heb ik een korte presentatie gegeven van het onderwijsconcept zoals dat na de ou-brede sessies vorig jaar geformuleerd is. Zie hier de presentatie. Daarna hebben we aan de hand van zes stellingen onder leiding van Fred Mulder een discussie gevoerd met de zaal. Niemand kon zich aan een mening onttrekken want er moest voor elke stelling publiekelijk een stem worden uitgebracht voor of tegen de stelling door middel van een groen of een rood kaartje. De discussies waren verhit en ikzelf vond het een heel prettig colloquium met veel betrokkenheid van de zaal. Hieronder de stellingen die de revue gepasseerd en mijn perceptie van de reacties uit de zaal. Het is nu de bedoeling om aan de hand van de discussies het onderwijsconcept nog bij te stellen en dan wil ik met de decanen bespreken wat er nog moet gebeuren om van een concept naar een vastgestelde versie te komen.

1. Er wordt een expliciet onderscheid gemaakt tussen opleidingsstudenten en studenten die alleen maar één of meer losse cursussen willen kopen, dat uit zich o.a. in:
-
Andere toegang tot voorzieningen
-
Mentoraat en het actief volgen van opleidingsstudenten
- Toegang tot opleidingscursussen en leergemeenschappen

De meerderheid van de zaal was het eens met deze stelling maar er werden wel kanttekeningen gemaakt. In de eerste plaats werd aangegeven dat we dat onderscheid niet kunnen maken als studenten bij ons binnenstromen. Studenten geven vaak aan dat ze een opleiding willen volgen maar maken dat in de praktijk niet waar. Beter zou zijn om pas te spreken van een opleidingsstudent nadat een student bijvoorbeeld twee modulen met succes heeft afgerond en dan de intentie uitspreekt om een langere verbintenis met de OUNL aan te gaan. De startpakketten bieden natuurlijk een goede ingang en een student zou pas als opleidingsstudent kunnen worden aangemerkt als hij of zij het startpakket met succes doorlopen heeft. De vroegere kennismakingstrajecten zijn indertijd ook met dit doel ontworpen.¼br /> Verder werd opgemerkt dat we studenten die losse cursussen doen toch willen vasthouden en een te sterk onderscheid zou wel eens een negatief effect kunnen hebben.
Vanuit de opleiding Informatica werd aangegeven dat zij heel goede ervaringen hebben met het onderscheid losse cursisten en opleidingsstudenten. Zij beschouwen echter alleen studenten die al een aanzienlijk aantal cursussen gedaan hebben als opleidingsstudenten..

2. Elke faculteit moet investeren in het ontwikkelen van een aantal losse cursussen die aantrekkelijk zijn voor de losse cursusverkoop (en ook in de BAMA passen)

Ook hier in de meerderheid groen hoewel er een discussie ontstond waar het accent moest liggen. Moet je een aantal cursussen voor de BAMA zo ontwikkelen dat ze ook aantrekkelijk zijn voor losse cursisten of moet je uitgaan van een aantrekkelijke cursus voor losse cursisten en in je BAMA-programmering er dan voor zorgen dat de cursus erin past? De stelling gaat uit van het laatste. Dit zou impliceren dat faculteiten voor hun deel van hun aanbod, bijvoorbeeld drie of vier cursussen, de aantrekkelijkheid van een cursus op de markt voorop zouden moeten stellen. Waar heeft de markt belangstelling voor? Wat is “hot” op dit moment? De cursussen waarvoor een groot publiek verwacht wordt zouden dan ook het meest aantrekkelijk moeten worden uitgewerkt, met o.a.multimediatoepassingen maar zouden daarbij zo goedkoop mogelijk moeten zijn in de exploitatie. Dus geen persoonlijke begeleiding naast vangnetbegeleiding en alleen maar een gesloten tentamen. Het zou natuurlijk een uitdaging zijn als we inderdaad weer een aantal cursussen zouden aanbieden waar duizenden in plaats van honderden studenten per jaar op af komen zoals dat heel lang geleden het geval was met inleiding informatica, inleiding rechten en organisatiekunde.

3. Voor elke cursus gebeurt de aansturing en dus ook het geven van opdrachten en feedback via elektronische, interactieve, multimediale werkboeken.

Hier waren de meningen nogal verdeeld. Er ontspon zich een discussie over wat we nu wel of niet nog gedrukt uitleveren en ook het begrip werkboek leverde nogal wat misverstanden op. Menig tegenstander van de stelling gaf aan dat studenten hun elektronisch werkboek liefst zo snel mogelijk uitprinten en dat het dus eigen over ‘printprocesverplaatsing’ gaat zoals Willibrord Huisman het vroeger uitdrukte. Vanuit de faculteit psychologie kwam de opmerking dat een elektronisch werkboek dat je kan uitprinten, geen goed elektronisch werkboek is. Bij informatica werd aangegeven dat de werkboeken niet alleen interactieve elementen bevatten maar ook veel uitleg, voorbeelden, nieuwe leerteksten en dat studenten die toch liever niet van het scherm lezen. Vanuit HBO-rechten werd aangegeven dat studenten net de hele elektronische ondersteuning erg op prijs stellen en dan gaat het niet alleen om de materialen die via Bb worden aangeleverd maar om de hele ondersteuning inclusief virtuele klas en discussiegroepen. René van Hezewijk deed daarop het voorstel om de term elektronisch werkboek maar te laten vallen en de stellen te herformuleren als:
Voor elke cursus gebeurt aansturing en dus ook het geven van opdrachten en feedback via elektronische, interactieve, multimediale werkplekken.
4. Als we aan studenten face-to-face begeleiding aanbieden dan bieden we altijd ook een online alternatief aan, bijvoorbeeld in de vorm van een virtuele klas.Deze stelling leidde tot heel wat begripsverwarring. Eerst ging de discussie over de wenselijkheid van het aanbieden van face-to-face begeleiding. Moeten we niet het primaat leggen bij online begeleiding en alleen als het echt niet anders kan face-to-face begeleiding aanbieden? Uiteindelijk doen we dat ook want de meeste cursussen hebben alleen maar online begeleiding. De stelling gaat echter uit van de situatie waarbij de afweging al gemaakt is en zelfs in de situatie waarbij men ervan uitgaat dat f2f-begeleiding de beste optie is, dan nog zou men een online alternatief moeten bieden voor die studenten die om wat voor reden dan ook niet naar het studiecentrum kunnen komen. De discussie ging verder over de vraag of we online begeleiding wel als second best moeten neerzetten. De eerste ervaringen met de virtuele klas leren ons dat studenten de online variant wel eens als een effectievere en efficientere manier van begeleiden zouden kunnen zijn en het gebrek aan sociaal contact voor en na de bijeenkomst nemen ze dan graag voor lief.
Het zal inderdaad zaak zijn om online begeleiding prominenter in de OUNL te positioneren. Het is niet alleen iets voor de liefhebber maar het is een functionaliteit die de OUNL standaard aanbiedt. Hier valt nog een wereld te winnen want in het project online begeleiden merken we hoe moeilijk het is om docenten te overtuigen van de kwaliteiten van de virtuele klas en om hen op weg te helpen om inderdaad met de nieuwe instrumenten te gaan werken. Hierbij is het dan ook zo dat dit initieel een taakverzwaring is want het opzetten van sessies voor een virtuele klas vraagt wat inleertijd en is niet een een-op-een vertaling van datgene wat in een f2f-bijeenkomst gebeurt. De uiteindelijke tijdwinst en het intensieve contact met studenten dat men op die manier krijgt, kunnen echter veel goedmaken, heb ikzelf ondervonden.

4. Over twee jaar zijn al onze tentamens online. Er zijn dan geen groepstentamens meer en studenten kunnen zelf kiezen wanneer ze tentamen doen.

Deze stelling had al stof laten opwaaien voor het colloquium door de aankondiging op de posters. Er was dan ook niet vermeld dat het gaat om tentamens aan de computer in een gecontroleerde omgeving waarbij studenten geen gebruik kunnen maken van internet en email. De stelling kreeg veel bijval. René van Hezewijk was het meest tegen maar dat bleek de periode van twee jaar te betreffen, dat zou voor hem twee maanden mogen zijn .. Aan de andere kant werden er vraagtekens geplaatst bij de termijn van twee jaar en of dat wel realiseerbaar zou zijn in deze instelling. Jos Kousen, de IPO projectleider van het project Computergebaseerd toetsen, gaf aan dat we al over een paar maanden een pakket kunnen kiezen en dat we zelfs al in september een begin kunnen maken met deze vorm van toetsing. In dit geval ligt de toekomst misschien zelfs dichterbij dan we denken.
Er werd wel aangegeven dat het geheim houden van de tentamens een voorwaarde is om dit te kunnen realiseren. Daarnaast zal het nogal wat extra inspanning vergen om genoeg tentamenvragen te maken. Verder werd ook opgemerkt dat de stelling niet inhoudt dat er ook andere tentamenvormen blijven bestaan zoals werkstukken en mondelinge tentamens.

5. Studieadvisering is een belangrijke functie bij de OUNL die veel meer dan nu aandacht moet krijgen.

Op de valreep nog de laatste stelling die unaniem groen kreeg. Vraag is nu alleen: als we dit zo belangrijk vinden met z’n allen, waarom doen we er dan zo weinig aan? Want uit Studentinzicht blijkt dat studenten niet tevreden zijn over de studieadvisering bij de OU. Zeker een punt dat we verder moeten oppakken.

Â

Laat een reactie achter